U bent hier
Vogels
Het plaatsen van windturbines kan effect hebben op vogels en vleermuizen. Daarom zijn er beschermende bepalingen voor het plaatsen van windparken. Deze zijn bedoeld om eventuele hinder voor vogels, vleermuizen en hun verblijfplaatsen (direct en indirect door effecten op migratieroutes of foerageergebieden) te beperken.
De belangrijkste beschermende bepalingen voor vogels en vleermuizen zijn de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet, Natura 2000-gebieden en de gebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn opgenomen in de nationale wetgeving. Het Alterra-rapport ‘Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land' geeft een goed overzicht.
- Effecten op vogels
- Conclusies effecten op vogels
- Windturbines en de Flora- en faunawet
- Windturbines in Natura 2000-gebied
- Toetsen
Effecten op vogels
Bij vogels zijn de volgende effecten bekend:
- Aanvaring: vogels kunnen zich doodvliegen tegen de wieken of tegen de mast. ’s Nachts of bij slecht weer is dat risico groter.
- Barrièrewerking: vogels moeten omvliegen tijdens de trek of op weg naar hun leefgebied. Dit kost extra tijd en energie
- Verstoring: vogels kunnen windturbines en de omgeving ervan gaan mijden. Daardoor worden die gebieden ongeschikt als voedsel-, rust- of broedgebied.
Conclusies effecten op vogels
Uit rapporten van onder meer het Wereld Natuur Fonds blijkt dat windturbines slechts een klein deel van de vogelslachtoffers veroorzaken die door menselijk handelen om het leven komen. Naar schatting 1 tot 2 procent van het aantal dat door het verkeer wordt getroffen. Slachtoffers vallen in principe op iedere locatie, maar het effect is afhankelijk van de aanwezige soorten en de totale aantallen vogels ter plekke. Bij het plaatsen van windparken buiten beschermde vogelgebieden is verstoring door verlies of verandering van biotopen meestal geen belangrijke negatieve factor. De mate van verstoring hangt af van de locatie en de omvang van de projecten. De barrièrewerking kan wel aanzienlijk zijn. Er is meer energie nodig bij het passeren van windturbines. Over de gevolgen is nog weinig bekend.
Windturbines en de Flora- en faunawet
Vogels en vleermuizen zijn beschermd onder de Flora- en faunawet. Dit betekent ten eerste dat er geen vogels en vleermuizen mogen worden verwond of gedood. Wanneer op basis van onderzoek is te verwachten dat er substantiële aantallen slachtoffers vallen, is een ontheffing vereist. Deze ontheffing kan voor vogels alleen worden verleend als er sprake is van één van de onderstaande belangen uit de Vogelrichtlijn:
- volksgezondheid en openbare veiligheid
- bescherming van flora en fauna
- veiligheid van het luchtverkeer
Voor vleermuizen moet sprake zijn van één van de belangen uit de Habitatrichtlijn:
- dwingende reden van groot openbaar belang
- volksgezondheid en openbare veiligheid
- bescherming van flora en fauna
In andere gevallen kan geen ontheffing worden verkregen. Het is aan te raden tijdig in de planvorming gericht veldonderzoek uit te voeren en in overleg te treden met het bevoegd gezag. In dit geval de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Windturbines in Natura 2000-gebied
Op basis van de wetgeving zijn beschermde gebieden aangewezen: de Natura 2000-gebieden. In en bij deze gebieden kunnen alleen windparken komen na een uitgebreide beoordeling. De Natura 2000-gebieden worden beschermd door de vergunningplicht op basis van de Natuurbeschermingswet. Voor de plaatsing van een windturbinepark in of nabij een Natura 2000-gebied geldt dat er mogelijk extra onderzoeksinspanningen nodig zijn voor en na plaatsing. Dit gebeurt met name als significant negatieve effecten niet zijn uit te sluiten.
Windturbines in Natura 2000-gebieden zijn mogelijk als er een groot openbaar belang speelt en geen alternatieve oplossingen aanwezig zijn. Bijvoorbeeld als sociale of economische belangen in het geding zijn of als het gaat om menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of het milieu. Het windpark Noordoostpolder is hier een voorbeeld van. Windturbines plaatsen in een Natura 2000-gebied kan pas na het doorlopen van een aantal toetsen.Ook moeten eerst alle noodzakelijke compenserende maatregelen zijn genomen. Windmolens die buiten de Natura 2000-gebieden staan, kunnen toch effecten veroorzaken in die gebieden (de zogeheten ‘externe werking’). Bij elk windpark onderzoekt men dit dan ook vooraf.
Toetsen
Met een habitattoets is vast te stellen of en onder welke voorwaarden een activiteit mag in de speciale beschermingszones (SBZ). Bij kans op een significant negatief effect van het plaatsen van windturbines in of nabij een Natura 2000-gebied volgt een Natuurbeschermingswet vergunningaanvraag via een passende beoordeling. Om deze vergunning te krijgen, moet er worden voldaan aan de zogenoemde ADC-criteria. Dat wil zeggen dat er geen alternatief is én dat er een dwingende reden van openbaar belang is. Ook dient er (vooraf) gecompenseerd te worden. Is er wel een negatief effect maar met zekerheid geen significant negatief effect, dan volstaat een vergunningaanvraag via de verslechterings- en verstoringstoets. Dit is de zogenoemde V2-toets.
