U bent hier
Risicozonering
Bij de plaatsing van windturbines staat de veiligheid voor de omgeving voorop. De kans dat er iets gebeurt in de omgeving van een windturbine is zeer klein. Windturbines moeten immers aan strenge veiligheidseisen voldoen. Mogelijke risico’s rond een windmolen zijn mastbreuk, het afbreken van een wiek of ‘ijsworp’, het in de winter afglijden van ijs van de wieken. Voordat de overheid toestemming geeft voor de bouw van een windturbine, kan ze om een kwantitatieve risicoanalyse vragen. Het Handboek Risicozonering Windturbines (2005) vormt een eerste stap voor het bepalen van risico’s voor de omgeving.
- Kans van 1 op een miljoen
- Directe risico’s
- Indirecte risico’s
- Nieuwe regelgeving
- Extra regels Rijkswaterstaat
- Buisleidingen- en hoogspanningleidingen
Kans van 1 op een miljoen
Het uitdrukken van risico’s gebeurt door het aangeven van de kans op overlijden ten gevolge van het falen van een windturbine. Rondom een windturbine kunnen risicocontouren worden getekend. In het gebied direct rondom de windmolen (op ongeveer een afstand van de bladlengte) ligt de 10-5 contour; de kans op overlijden is hier 1 op de honderdduizend per jaar. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan. Kort samengevat zijn dit gebouwen waar zich groepen personen bevinden. Op een grotere afstand van de windturbine ligt de 10-6 contour, waar de kans op overlijden 1 op een miljoen per jaar is.
Tussen de 10-5 en de 10-6 contour mogen zich wel beperkt kwetsbare objecten bevinden (bijvoorbeeld losstaande huizen of bedrijven met een beperkt aantal medewerkers). Kwetsbare objecten, zoals bijeenstaande woningen, scholen en ziekenhuizen mogen alleen buiten de 10-6 contour staan.
De definitie van kwetsbare objecten en van beperkt kwetsbare objecten is gegeven in artikel 1 van het BEVI. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op de websites van VROM en Infomil.

Directe risico’s
Er is sprake van een direct risico als er kans is op slachtoffers door het vallen van een windturbineonderdeel (of afvallend ijs). Hier is nog onderscheid te maken tussen persoonsgebonden risico en groepsrisico. Persoonsgebonden risico is de kans dat een persoon in een jaar komt te overlijden. Groepsrisico is de kans dat per jaar in een keer een groep van tenminste een bepaalde grootte komt te overlijden door een ongeval. De kans dat dit gebeurt wordt vergroot als er objecten in de omgeving zijn, waar permanent grote groepen mensen verblijven. Voorbeelden van dergelijke ‘kwetsbare objecten’ zijn scholen en ziekenhuizen.

Indirecte risico’s
Een voorbeeld van een indirect risico is als een onderdeel van een windturbine een bedrijf met opslag van gevaarlijke stoffen treft. Je kunt hier spreken over een ‘domino-effect’. In dat geval neemt het externe veiligheidsrisico van het bedrijf toe. Op het bedrijf (de inrichting) zijn risiconormen uit het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) van toepassing. In het Bevi is vastgelegd dat als een risicoverhogend object, zoals een windturbine, de faalkans van het bedrijf met meer dan 10% laat toenemen, dit in het bepalen van het risico moet worden meegewogen. Het domino-effect kan ook optreden bij windturbines in de nabijheid van een weg of spoorweg, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Nieuwe regelgeving
Via een wijziging van het Activiteitenbesluit zal voor het merendeel van de windturbines geen vergunningplicht meer gelden, maar moet voldaan worden aan algemene regels. Op 14 oktober 2010 is een wijziging van het Activiteitenbesluit vastgesteld. De ingangsdatum voor de toepassing van deze nieuwe regels zal nog worden bepaald.
Wat de risico’s van windturbines betreft betekent het besluit dat ten opzichte van kwetsbare objecten een grenswaarde van PR 10-6/jr en voor beperkt kwetsbare objecten een grenswaarde van PR 10-5/jr moet worden aangehouden. Gerelateerd aan een 3 MW turbine komt dit neer op een afstand van respectievelijk circa 160 en 45 meter. Het Activiteitenbesluit biedt de overheid de mogelijkheid om vaste afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten voor te schrijven. Op dat moment hoeven geen risicocontouren meer bepaald te worden. Naar verwachting treden deze nieuwe regels in de eerste helft van 2011 in werking.
Extra regels Rijkswaterstaat
Voor windmolens die in de buurt van rijks(vaar)wegen en spoorlijnen komen, hanteren Rijkswaterstaat en Prorail eigen risicocriteria. Dat is opgenomen in de documenten ‘Beleidsregel voor hetplaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken’ en ‘Windturbines langs auto-, spoor- en vaarwegen — Beoordeling van veiligheidsrisico’s’.
Het gaat hier om beleidsregels en niet om wetgeving. Indien niet wordt voldaan aan de voorkeursafstanden wordt plaatsing van windturbines slechts toegestaan als uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico bestaat.
De voorkeursafstanden die Rijkswaterstaat hanteert, zijn:
- Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter.
- Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg.
- Plaatsing van windturbines wordt niet toegestaan in de kernzone van de primaire waterkering. Onder kernzone wordt verstaan het eigenlijke dijk, duin- of damlichaam, zijnde de primaire waterkering als bedoeld in de Wet op de waterkering.
Buisleidingen- en hoogspanningleidingen
Vanwege externe veiligheid en transportzekerheid dient rond hoogspanning- en gasleidingen een zekere afstand gehandhaafd worden. Voor hoogspanningsleidingen geldt dat er zich een minimale afstand van 5 meter tussen de wiek en de leiding moet bevinden. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarin een risicoverhogend object (bijvoorbeeld een windturbine) in de directe omgeving van een buisleiding wordt toegelaten, dat hiermee bij het beoordelen van de contouren van die buisleiding rekening moet worden gehouden.
Voor gasleidingen adviseert de Gasunie een ‘high impact zone’ aan te houden waarbuiten geen negatieve invloed van een windturbine te verwachten is. Deze ‘high impact zone’ heeft een diameter van ashoogte + 1/3 wieklengte. Het gaat hierbij niet om een ‘harde’ in regelgeving vastgelegde afstand. Het nieuwe Activiteitenbesluit stelt op dit punt geen aanvullende eisen ten opzichte van wat reeds in het BEVI of de AMvB buisleidingen geregeld is.
